Inleiding

De sociale kaart van de gemeente Lingewaard is een weergave van pogingen van de parochies in deze gemeente om een beeld te schetsen van de sociale context.

Sinds 2001 vormen de plaatsen Huissen (gemeente Huissen), Gendt (gemeente Gendt) en Angeren, Doornenburg, Haalderen en Bemmel (gemeente Bemmel) de gemeente Bemmel. Medio 2002 wordt de gemeentenaam ‘Gemeente Lingewaard’. In de genoemde plaatsen zijn r.k. parochies (in Huissen 2) aanwezig.

De aanleiding tot het samenstellen van deze sociale kaart is tweeledig. Binnen de parochies werd in verschillende groepen (onder meer in diaconaal beraden en pci-besturen) nagedacht over manieren om als parochie meer en beter in contact te komen met de (sociale) omgeving. Over het algemeen werd geconstateerd dat parochies, en in het bijzonder de Parochiële Caritas Instellingen, het contact met mensen in kwetsbare leefomstandigheden waren kwijtgeraakt. De tweede aanleiding is gelegen in het initiatief van de dekenale dienstverlening diaconie en arbeidspastoraat. Via het gestructureerd en geordend verkennen van de sociale omgeving (sociale kaart) werd deze parochies ondersteuning aangeboden bij het maken van beleid rond de leefwereld van mensen in kwetsbare leefomstandigheden.

Meestal wordt bij diaconie de drieslag gemaakt: ‘Zorg, Solidariteit of Strijd, en Verzoening of Vergeving’. Solidaire betrokkenheid bij mensen in kwetsbare leefomstandigheden betekent voor een parochie dat actief werk gemaakt wordt van beïnvloeding van degenen die veranderingen kunnen aanbrengen. Over het algemeen is dit de politiek. Landelijke – en plaatselijke overheden zijn de eerst aanspreekbaren aangaande het welzijn en welbevinden van mensen. Het KASKI (Katholiek Sociaal-Kerkelijk Instituut) adviseert parochies dan ook (in een rapportage over dekenaal beleid in het dekenaat Het Groene Hart) om op het niveau van de plaatselijke overheid (burgerlijke gemeente) invloed uit te oefenen. Dit heeft als consequentie dat alle parochies, die tot een bepaalde burgerlijke gemeente behoren, samenwerken.

Het samenwerken van de parochies is van meet af aan meegenomen in de doelstellingen van deze sociale kaart. De parochies in dit gebied kenden al een voorzichtige vorm van samenwerking (Huissen – Angeren; Gendt – Doornenburg; Bemmel – Haalderen) met daarin erkzaam 3 pastoresteams van ieder 2 pastores. Deze pastoresteams hadden jaarlijks een gezamenlijke ontmoeting; de teams van Bemmel – Haalderen en Gendt – Doornenburg ontmoetten elkaar regelmatiger.

In deze kaart is dus een poging ondernomen om 7 parochies te laten samenwerken. Dat dit leidde tot complicaties (ook in het verzamelen van informatie) is dan ook niet verwonderlijk. Een eerste complicerende factor is de ongelijktijdigheid van de parochies. Niet alle parochies waren in dezelfde mate overtuigd van het nut en de noodzaak van een sociale kaart en van een actieve betrokkenheid bij de plaatselijke gemeenschap. De erfenis van een gedegen sociale kaart, waaraan door een kleine groep intens gewerkt is maar waarmee in het pastorale beleid niets mee gedaan is, speelde bijvoorbeeld de parochie in Gendt parten om enthousiasme op te brengen voor deze onderneming. Een tweede complicerende factor is de onderlinge verstandhouding van pastores. Concluderend kan gesteld worden dat een proces, zoals in deze sociale kaart ondernomen is, pas kans van slagen heeft als alle pastores op z’n minst het nut en de noodzaak ervan in zien en, naar eigen vermogen – interesse en verantwoordelijkheid, bereid zijn een bijdrage te leveren aan de realisatie ervan. Een derde complicerende factor is het werven van vrijwilligers. Om te voorkomen dat parochiële vrijwilligers extra belast zouden worden, was als uitgangspunt genomen dat het samenstellen van de sociale kaart zo veel mogelijk zou plaatsvinden met ‘nieuwe’ vrijwilligers. Over het algemeen is dit niet gelukt. Óf het onderzoek is gedaan door vrijwilligers die reeds vele andere taken hebben óf er werden geen vrijwilligers gevonden waardoor bepaalde thema’s niet of slechts gedeeltelijk verkend zijn. Een laatste complicerende factor is het feit dat door het vertrek van de dekenale arbeidspastor de ondersteuning vanuit de dekenale dienstverlening niet optimaal gerealiseerd kon worden.

Tot slot is het van belang te onderstrepen dat van meet af aan de coördinatiegroep en de (parochiële) werkgroepen in gesprek zijn geweest met de parochiebesturen; om mandaat voor het onderzoek maar ook om garantie te krijgen dat de aanbevelingen, zoals die zijn neergeschreven in deze sociale kaart, mede van invloed zijn op het toekomstige pastoraal beleid van de parochies. En wij houden de parochiebesturen aan dit uitgangspunt. Dit betekent dat de coordinatiegroep een vinger aan de pols blijft houden rond de concrete uitwerkingen van de aanbevelingen.